Slechter zien (geleidelijk)

Slechter zien (geleidelijk)

Wanneer heb je last van geleidelijk slechter zien?

Als je in de loop van enkele maanden of jaren steeds wat minder goed bent gaan zien, noemen we dat ‘geleidelijke visusvermindering’. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Geleidelijk aan slechter gaan zien kan meestal geen kwaad, maar kan soms wel voor problemen of gevaarlijke situaties zorgen. Bijvoorbeeld in het verkeer.


De meest voorkomende oorzaken van geleidelijk slechter gaan zien zijn:

•  Bijziendheid: je ziet van dichtbij goed, maar voorwerpen of bijvoorbeeld verkeersborden in de verte kun je minder goed zien.

•  Verziendheid: je ziet veraf goed, maar dichtbij zie je minder goed. Zoals bij het lezen van een boek.

•  Een cilinderafwijking (astigmatisme): hierbij heeft het hoornvlies of de lens een andere vorm dan de bedoeling is.

•  Ouderdomsverziendheid: als je ouder wordt kan het zijn dat de lens in je oog niet meer goed kan bewegen. Hierdoor kun je dichtbij niet goed scherpstellen en zie je veraf goed, maar dichtbij minder goed.


Soms komt geleidelijk slechter gaan zien door andere (oog)aandoeningen:

•  Droge ogen: hierbij heb je vaak ook last van een branderig gevoel, rode ogen, slijmdraden in je ogen en veel tranen. Hierdoor kun je wazig zien. Als je droge ogen hebt, heb je meer kans op oogontstekingen.

•  Staar: hierbij is de lens in je oog troebel geworden. Dit gebeurt meestal op oudere leeftijd. Je gaat hierdoor van dichtbij én veraf geleidelijk waziger of troebel zien. Een bril helpt niet om beter te zien. Je kunt staar hebben aan één of beide ogen.

•  Glaucoom: hierbij is je oogzenuw beschadigd, meestal door een verhoogde druk in je oogbol. Als de oogzenuw beschadigd is, verlies je geleidelijk je gezichtsveld en lijkt het alsof je door een steeds smaller kokertje kijkt. Soms kun je door glaucoom zelfs blind worden.

•  Maculadegeneratie: hierbij verouderen de cellen middenin het netvlies, in de gele vlek (de macula). Hierdoor zie je je omgeving nog goed, maar het middelpunt waar je op focust is wazig. Soms vervormt je beeld hierbij ook. Dit begint meestal na de leeftijd van 50 jaar.

•  Diabetes mellitus (suikerziekte): als je bloedsuiker slecht geregeld is of steeds wisselt, kun je wazig gaan zien. Als je bloedsuiker een lange tijd vaak te hoog is, kan je netvlies beschadigen. Hierdoor kun je geleidelijk slechter gaan zien en zelfs blind worden.

Wat kun je zelf doen?

Als je geleidelijk slechter bent gaan zien, kun je het beste eerst een opticien bezoeken. Deze kan je ogen en oogboldruk opmeten. Meestal kan geleidelijk slechter zien worden opgelost met een bril of contactlenzen.

Heb je medicijnen nodig?

•  Bij droge ogen kan de huisarts kunsttranen zoals carbomeer ooggel of povidon oogdruppels voorschrijven. Deze zijn ook bij een drogist te koop.

•  Staar kan niet met medicijnen behandeld worden. Wanneer staar veel klachten geeft, kan een operatie nodig zijn.

•  Bij glaucoom kan de oogarts oogdruppels voorschrijven die de oogdruk verlagen. Soms is er een laserbehandeling of operatie nodig.

•  De oogarts kan maculadegeneratie soms met injecties in het oog behandelen. Hiermee kun je de ziekte niet helemaal genezen, maar zorg je wel dat je niet slechter gaat zien. Soms kun je hierdoor ook iets beter zien.

•  Om beschadiging aan je ogen door diabetes mellitus (suikerziekte) te voorkomen is het belangrijk dat je suiker goed is ingesteld. Hiervoor kan medicatie nodig zijn , bijvoorbeeld metformine of insuline die door de huisarts worden voorgeschreven.


Bel je huisarts als:

·      Het slechter zien binnen een aantal seconden of dagen is gekomen.

·      Als je pijn aan je oog hebt.

·      Als je niet tegen licht kunt.

·      Als je lichtflitsen ziet.

·      Als je ineens dubbelziet.

·      Als je ineens een donkere vlek ziet.


Bel ook met je arts bij twijfel, vragen of zorgen over je klacht. Ook als de klachten erger worden of veranderen kun je het beste contact met je huisarts opnemen.


Bronnen

Dit artikel is tot stand gekomen in samenwerking met Quin medisch specialisten, medisch onderzoekers en met gebruik van publieke bronnen.